Les 10 · Week 11 · Thema: Op verkenning
Kunst van over de hele wereld
Doelen
- WA1 — Verwoorden de betekenis van een artistieke creatie: onderwerp, bedoeling, eigen interpretatie; begrippen de boodschap, de sfeer, het gevoel.
- WA2 — Herkennen enkele kunststromingen en artistieke creaties: Bruegel, Banksy, Afrikaanse kunst, beeldhouwkunst, hedendaagse kunst, De Keersmaeker.
- WA3 — Beschrijven de betekenis van een artistieke creatie: maatschappelijke, geografische en historische context.
- WA4 — Duiden de waarde van kunst voor zichzelf en de samenleving; begrippen de emotie, de creativiteit, de esthetiek, de schoonheid.
Materiaal (22 leerlingen)
- 5 kijkstations met telkens één werk (grote print of tablet): (1) "De boerenbruiloft" van Pieter Bruegel, (2) een straatkunstwerk van Banksy, (3) een Afrikaans masker of beeld, (4) een modern gebouw van Zaha Hadid, (5) een fragment "Rosas danst Rosas" van Anne Teresa De Keersmaeker (tablet met koptelefoons of klassikaal)
- 22 kijkwijzers met drie vragen: Wat zie/hoor je (onderwerp)? Wat wilde de maker (bedoeling)? Wat doet het met jou (interpretatie)?
- 5 contextkaarten per station: waar, wanneer, en wat er toen speelde
- Bord voor het slotgesprek
Lesverloop
Instap 10'
Projecteer de Bruegel zonder titel of uitleg. Eén minuut stil kijken, dan: "Wat gebeurt hier allemaal?" Verzamel observaties zonder oordeel. Vertel dan de context: Bruegel schilderde in de 16de eeuw gewone mensen die feestvierden op het Vlaamse platteland — nieuw en gedurfd, want kunst ging toen over rijke of heilige personen. Dat is context: waar, wanneer, en wat er toen speelde verandert wat je ziet.
Kern — kijkstations 55'
Groepjes doorlopen de vijf stations (±10' per station). Per werk: eerst de kijkwijzer (onderwerp, bedoeling, interpretatie), dan pas de contextkaart omdraaien en checken: verandert de context je blik? Bij het dansfragment van De Keersmaeker krijgt de contextkaart extra aandacht: Belgische choreografe, 1983, grondlegger van de Vlaamse hedendaagse dans, met vrouwelijkheid en identiteit als thema. Bij Banksy: waarom maakt iemand kunst op straat in plaats van in een museum?
Slot — waarom kunst? 35'
Filosofisch kringgesprek met stellingen: "Kunst moet mooi zijn." "Een tekening van jou is evenveel kunst als een Bruegel." "Zonder kunst zou de wereld hetzelfde zijn." Leerlingen positioneren zich (eens/oneens-hoeken) en onderbouwen. Verzamel op het bord waarde-uitspraken in twee kolommen: voor mezelf (gevoelens uiten, nieuwe werelden leren kennen) en voor de samenleving (genieten van schoonheid, nadenken over belangrijke zaken).
Voorbeeld
Bij het Banksy-station schrijft Amir als interpretatie "het gaat over vrijheid". Na de contextkaart nuanceert hij: "hij maakt het op straat zodat iedereen het gratis kan zien, dus de plek hoort bij de boodschap." Zijn groep noteert dat als sterkste inzicht van de dag.
Observatie
- Onderscheidt de leerling onderwerp, bedoeling en eigen interpretatie in zijn kijkwijzer (WA1)?
- Koppelt de leerling minstens één werk correct aan maker, stroming of herkomst (WA2)?
- Gebruikt de leerling context (tijd, plaats, maatschappij) om betekenis te beschrijven (WA3)?
- Formuleert de leerling een eigen waarde-uitspraak over kunst in het slotgesprek (WA4)?
Differentiatie
- Steun: kijkwijzer met keuzewoorden voor sfeer en gevoel in plaats van open vragen.
- Uitdaging: laat sterke kijkers twee werken van verschillende continenten vergelijken op één gedeeld thema (feest, verzet, beweging).
Les 24 · Week 25 · Thema: Bos en Beest
Dieren en natuur in de kunst
Doelen
- WA2 — Herkennen enkele kunststromingen en artistieke creaties: beeldende kunstenaars (Bruegel, Rodin, Delvoye), beeldhouwkunst, hedendaagse kunst, volksverhalen en fabels als artistieke creaties in drama.
- WA3 — Beschrijven de betekenis van een artistieke creatie: maatschappelijke, geografische en historische context van dier en natuur in de kunst.
- RE2 — Reflecteren over de artistieke creatie van kunstenaars: betekenis, bouwstenen, technieken en vormgevingsmiddelen benoemen.
Materiaal (22 leerlingen)
- 6 kunstwerken met dieren/natuur, geprint of op de beamer: een grotschildering uit Lascaux, een detail met dieren uit Bruegel, een dierenfabel-illustratie, een klassiek dierenbeeld (brons), een hedendaags werk (bv. Wim Delvoye) en een natuurfoto als kunstwerk (Stephan Vanfleteren-stijl)
- Tijdlijnstrook van grot tot nu op het bord
- 11 tablets of dictafoons voor de audiogids-opdracht (1 per duo)
- Reflectiekaartjes met kijktaal: bouwsteen, techniek, vormgeving, betekenis
Lesverloop
Instap 15'
Toon de grotschildering: dit is ±17.000 jaar oud — waarom tekende iemand toen al dieren? Verzamel hypotheses (jacht, magie, vertellen). Conclusie van de klas: dieren zijn het oudste onderwerp van de kunst. Vandaag volgen we dat spoor tot nu op de tijdlijn.
Kern 1 — vergelijkend kijken 35'
Hang de zes werken chronologisch aan de tijdlijn. Duo's kiezen twee werken uit verschillende tijden en vergelijken met de reflectiekaartjes: welke techniek (schilderen, beeldhouwen, fotografie), welke bouwstenen vallen op (lijn, textuur, compositie — kijktaal uit de beeldlessen), en vooral: wat betekende het dier tóén (voedsel, symbool, versiering) en wat betekent het nú (natuur die we willen beschermen)? Elk duo deelt één verschil en één gelijkenis klassikaal.
Kern 2 — mini-audiogids 35'
Elk duo wordt museumgids voor één werk en neemt een audiofragment van ±45 seconden op: begroet de bezoeker, beschrijf wat je ziet, geef context (tijd en plaats), en sluit af met een kijktip ("let op de textuur van de vacht"). De reflectiekaartjes zijn het spiekbriefje: zo komen bouwstenen en technieken vanzelf in de gids terecht.
Slot 15'
Museumronde: de klas wandelt langs de werken en beluistert per werk de audiogids. Afsluitvraag: welk dier uit de kunstgeschiedenis zou jij in je kamer hangen, en waarom?
Voorbeeld
Fien en Mats vergelijken de grotschildering met de natuurfoto: "Toen tekenden ze dieren omdat ze ze nodig hadden om te eten, nu fotograferen we ze omdat ze bijna verdwijnen. Het dier is hetzelfde, de boodschap is omgedraaid." Hun audiogids eindigt met: "Kijk goed — dit paard rent al 17.000 jaar."
Observatie
- Plaatst de leerling werken bij de juiste tijd en herkent hij technieken en stromingen (WA2)?
- Beschrijft de leerling hoe de betekenis van het dier verandert met de context (WA3)?
- Gebruikt de leerling kijktaal (bouwstenen, technieken, vormgeving) in de audiogids (RE2)?
Differentiatie
- Steun: audiogids met invulzinnen ("Dit werk is gemaakt in … Je ziet … Let vooral op …").
- Uitdaging: neem een tweede fragment op waarin je het werk bekritiseert als kunstrecensent, met argumenten.
Les 33 · Week 34 · Thema: Water
Water in de kunst
Doelen
- WA1 — Verwoorden de betekenis van een artistieke en muzische creatie: onderwerp, bedoeling, eigen interpretatie — over kunstvormen heen.
- WA3 — Beschrijven de betekenis van een artistieke creatie: maatschappelijke, geografische en historische context.
- WA4 — Duiden de waarde van kunst voor zichzelf en de samenleving.
- RE2 — Reflecteren over de artistieke creatie van kunstenaars: betekenis, bouwstenen, vormgevingsmiddelen.
Materiaal (22 leerlingen)
- Drie waterkunstwerken uit drie domeinen: (1) beeld: "De grote golf van Kanagawa" van Hokusai, (2) muziek: fragment uit Händels "Water Music" of Saint-Saëns' "Aquarium" (gekend uit les 15), (3) media/hedendaags: een fragment onderwaterfotografie of videokunst met water
- Beamer en degelijke speaker
- 22 kijk/luisterwijzers met per werk: onderwerp — bedoeling — mijn interpretatie — welke bouwstenen doen het werk?
- Contextkaarten: Hokusai (Japan, ±1830, houtdruk in oplage — link met les 31!), Händel (Londen, 1717, gecomponeerd voor een koninklijk feest óp de Theems)
Lesverloop
Instap 10'
Eén woord op het bord: WATER. Vraag: hoe kan een schilder, een componist en een filmmaker hetzelfde water tonen met totaal andere middelen? Vandaag vergelijken we drie antwoorden uit drie eeuwen en drie werelddelen.
Kern 1 — drie werken, drie talen 45'
Per werk hetzelfde ritueel: stil kijken of luisteren (1–2'), kijk/luisterwijzer invullen, kort gesprek, dan de contextkaart. Bij Hokusai: een houtdruk uit Japan rond 1830, gedrukt in oplage — precies de techniek uit les 31, maar dan meesterlijk; de golf torent boven de berg Fuji uit: wie is hier de baas, mens of natuur? Bij Händel: geschreven in 1717 voor een feest van de koning op boten op de Theems — muziek gemaakt vóór en óp het water. Bij het hedendaagse werk: waarom kiezen kunstenaars vandaag vaak camera's om water te tonen?
Kern 2 — het jurygesprek 30'
Groepjes van 4–5 vormen een "jury" die één vraag beantwoordt en pleit voor de klas: welk van de drie werken laat water het sterkst voelen — en met welke bouwstenen doet het dat (kleur en lijn, dynamiek en tempo, licht en beweging)? Elke jury moet ook één waarde-argument geven: wat heeft de wereld aan dit werk?
Slot 15'
Stemming en synthese op het bord: drie kunstvormen, één onderwerp, drie soorten bouwstenen. Slotvraag individueel op een briefje: "Welk werk neem jij mee in je hoofd, en waarom?" — de briefjes gaan in het kunstportfolio voor les 36.
Voorbeeld
De jury van Lotte kiest Hokusai: "De golf heeft klauwen van schuim, dat is de lijn die het doet. Maar de muziek van Händel wint op sfeer, want die maakt het water vrolijk in plaats van gevaarlijk." Hun waarde-argument: "Door deze golf kijken mensen al 200 jaar met respect naar de zee."
Observatie
- Verwoordt de leerling per werk onderwerp, bedoeling en eigen interpretatie en houdt hij die uit elkaar (WA1)?
- Betrekt de leerling context (Japan 1830, Londen 1717) in zijn beschrijving (WA3)?
- Onderbouwt de jury haar keuze met bouwstenen in plaats van enkel "mooi/niet mooi" (RE2)?
- Formuleert de leerling een waarde-argument voor zichzelf of de samenleving (WA4)?
Differentiatie
- Steun: kijkwijzer met keuzewoorden en de bouwstenen per domein al voorgedrukt.
- Uitdaging: schrijf een korte recensie (5 zinnen) van het winnende werk voor de schoolkrant.
Les 36 · Week 37 · Thema: Water · Slotles
Slotles: het kunstportfolio
Doelen
- WA5 — Participeren aan een brede waaier van kunstervaringen: het eigen jaar aan kunstervaringen documenteren in een kunst- en cultuurpaspoort.
- WA6 — Gebruiken gepast gedrag tijdens kunstbeleving: het klasmuseum bezoeken zoals een echte tentoonstelling.
- RE1 — Reflecteren over de eigen muzische creatie: betekenis, bouwstenen, technieken, vormgeving en wijze van presenteren van het hele jaar.
- RE2 — Reflecteren over de muzische creatie van leeftijdsgenoten.
- WA4 — Duiden de waarde van kunst voor zichzelf: wat heeft dit jaar mij gebracht?
- GH1 — Tonen een muzische grondhouding: terugblikken op eigen groei in durf, verbeelding en samenwerking.
Materiaal (22 leerlingen)
- 22 portfolio-mappen of gevouwen A3-omslagen; al het bewaarde werk van het jaar (kaarten, drukwerk, foto's van sculpturen en kleiwerk, danspartituren, QR-codes of prints van opnames en filmpjes)
- 22 kunst- en cultuurpaspoorten (boekje of dubbelgevouwen blad): per ervaring een vak voor wat, wanneer, en een reflectie of tekeningetje — zoals Odin in de doelen zijn voorstellingen, musea en concerten bijhoudt met eigen tekeningen en reflecties
- Reflectiekaartjes: "Mijn sterkste werk is … omdat …", "De techniek die ik geleerd heb is …", "Dit durfde ik in september niet …"
- Tafels als museumsokkels, kaartjes voor titelbordjes, zachte achtergrondmuziek
Lesverloop
Instap 10'
Overloop samen de jaarlijn: 36 lessen, drie thema's, zeven domeinen. Vandaag zijn jullie drie dingen tegelijk: kunstenaar (portfolio), bezoeker (museum) en criticus (reflectie).
Kern 1 — portfolio en paspoort 40'
Iedereen stelt zijn portfolio samen: kies je drie sterkste werken uit het jaar (uit verschillende domeinen!) en schrijf bij elk een reflectiekaartje: wat was de betekenis, welke bouwsteen of techniek maakte het sterk, hoe heb je het gepresenteerd? Vul daarna het kunst- en cultuurpaspoort aan: welke kunstervaringen had je dit jaar, in én buiten de klas (toonmomenten, de fabels van klasgenoten, het carnaval der dieren, een eigen museum- of theaterbezoek)? Zoals Lynn in de doelen documenteert iedereen met foto's, aantekeningen en wat hij geleerd heeft.
Kern 2 — het klasmuseum 35'
De portfolio's liggen open op de "sokkels" met titelbordjes. Voor de opening herhaalt de klas de museumafspraken, zoals Jochem en Romee in de doelen: stil zijn tijdens het bekijken, gepaste afstand, niets aanraken, zachtjes praten, applaus op het juiste moment. De helft van de klas is suppoost/kunstenaar bij het eigen werk, de helft bezoekt; wissel halverwege. Elke bezoeker laat bij twee portfolio's een complimentenkaartje achter dat een bouwsteen of techniek benoemt ("jouw drukwerk heeft de sterkste textuur").
Slot 15'
Kring: elke leerling deelt één zin die begint met "Dit jaar heeft muzische vorming mij …". Sluit af met de waarde-vraag van les 10, nu persoonlijk beantwoord: wat is kunst voor jou, na dit jaar? Portfolio en paspoort gaan mee naar huis.
Voorbeeld
Odin kiest zijn eilandkaart (les 1), zijn drukwerk (les 31) en de danspartituur van zijn groep (les 21). Op zijn reflectiekaartje bij de kaart schrijft hij: "In september vond ik mijn arceringen stom, nu zie ik dat het mijn eerste techniek was." In zijn paspoort plakt hij het briefje over Hokusai uit les 33.
Observatie
- Onderbouwt de leerling zijn portfoliokeuzes met betekenis, bouwstenen en technieken (RE1)?
- Benoemt de leerling in complimentenkaartjes concreet wat sterk is aan andermans werk (RE2)?
- Past de leerling de museumafspraken spontaan toe tijdens het bezoek (WA6)?
- Is het paspoort gevuld met echte ervaringen en eigen reflecties (WA5)?
- Verwoordt de leerling eigen groei in durf of verbeelding (GH1, WA4)?
Differentiatie
- Steun: kies twee werken in plaats van drie en gebruik de startzinnen van de reflectiekaartjes.
- Uitdaging: schrijf een "gidstekst" van vijf zinnen bij het eigen portfolio en gids twee bezoekers rond, zoals een privérondleiding.