Domein · 5 lessen

Drama

Rollen, improvisatie, samenspel en scenario's. Van ontdekkingsreizigers over fabels tot storm op zee — telkens met ruimte om te durven en afspraken die het veilig houden. Klik een les open voor de volledige fiche.

Les 2 · Week 2 · Thema: Op verkenning

De ontdekkingsreizigers

DR1 bouwstenen herkennenDR3 improvisatiespelDR6 technieken herkennen
Duur 2 lesuren (100')Groepering klassikaal, duo's en groepjes van 4Werkvormen dramaspelletjes, kaartjesimprovisatie, toeschouwersrol

Doelen

  • DR1 — Herkennen bouwstenen van drama: handeling en taal (eenvoudig improvisatiespel); begrippen improviseren, de scène, de actie, de toeschouwer.
  • DR3 — Spelen op basis van een opgegeven plaats, personage en gevoel een scène (improvisatiespel).
  • DR6 — Herkennen technieken en vormgevingsmiddelen van drama: verbale en non-verbale spelvormen.

Materiaal (22 leerlingen)

  • Drie stapels kaartjes: plaats (jungle, woestijn, poolstation, verlaten schip, grot, luchthaven), personage (bange gids, opschepperige kapitein, verstrooide professor, nieuwsgierig kind, chagrijnige kok), gevoel (bang, opgewonden, jaloers, moe, dolblij) — minstens 12 kaartjes per stapel
  • Vrije speelruimte + afgebakende "scène" (tape op de vloer)
  • Belletje of triangel als start-/stopsignaal
  • Bord voor de spelafspraken

Lesverloop

Instap — opwarmers 20'

Noteer eerst samen drie spelafspraken op het bord: (1) uitlachen bestaat niet, lachen mét wel; (2) wie op de scène staat is de baas over zijn personage; (3) "ja, en…" — bouw verder op wat je medespeler geeft. Opwarmers: rondwandelen door de ruimte als op verschillende ondergronden (drijfzand, ijs, gloeiend zand), daarna "één-woord-verhaal" in kring over een expeditie.

Kern 1 — non-verbaal 25'

Duo's trekken enkel een plaatskaartje en beelden zonder woorden uit dat ze daar aankomen. Het publiek raadt de plaats. Bespreek: waaraan zag je het? Handeling zonder taal = non-verbaal spel.

Kern 2 — plaats + personage + gevoel 40'

Groepjes van 4: twee spelers trekken elk een personage- en gevoelskaartje, samen één plaatskaartje. Ze improviseren maximaal 90 seconden; de twee anderen zijn toeschouwers die daarna raden: welk gevoel had elk personage? Rollen wisselen zodat iedereen twee keer speelt. Belangrijk verschil met kern 1: nu mag taal — verbaal én non-verbaal.

Slot 15'

Kringgesprek met de begrippen op het bord: wat is improviseren? Wat deed een goede toeschouwer? Welke scène werkte, en kwam dat door de woorden of door het lijf?

Voorbeeld

Hannes (opschepperige kapitein, gevoel: bang) en Susanne (verstrooide professor, gevoel: opgewonden) landen op "verlaten schip". Hannes pocht luid over al zijn reizen maar loopt achter de professor aan bij elk geluid — het publiek raadt zijn verborgen gevoel meteen aan zijn trillende stem.

Observatie

  • Houdt de leerling de drie gegevens (plaats, personage, gevoel) vast tijdens het spel (DR3)?
  • Bouwt de leerling verder op de inbreng van de medespeler ("ja, en…") (DR1)?
  • Benoemt de leerling als toeschouwer het verschil tussen verbaal en non-verbaal spel (DR6)?

Differentiatie

  • Steun: speel eerst in het groepje van 4 (minder publiek), of geef een openingszin mee.
  • Uitdaging: voeg een vierde kaartje toe — een probleem dat tijdens de scène opduikt ("de kaart waait weg").
Les 8 · Week 8 · Thema: Op verkenning

Op de markt

DR2 personage geloofwaardigDR4 ridderlijkheidDR1 bouwstenen herkennen
Duur 2 lesuren (100')Groepering individueel → duo's → halve klas als marktscèneWerkvormen personagebouw, spiegeloefening, duoscènes, groepsimprovisatie

Doelen

  • DR2 — Spelen een personage geloofwaardig: houding, beweging, stem en mimiek afstemmen op het personage.
  • DR4 — Gebruiken ridderlijkheid in het samenspel: de ander laten schitteren, opstapjes geven.
  • DR1 — Herkennen bouwstenen van drama: rol — transformatie in een personage; samenspel.

Materiaal (22 leerlingen)

  • Verkleedkist: hoeden, sjaals, brillen, stokken, schorten, tassen (min. 22 attributen zodat iedereen één item heeft)
  • Personagekaartjes "marktvolk in een verre stad": oude tapijtverkoper, achterdochtige kruidenvrouw, verlegen toerist, luidruchtige visboer, zakkenrollertje met spijt, deftige dame op zoek naar een cadeau
  • Tafels als marktkraampjes (4–5), wat klasmateriaal als koopwaar

Lesverloop

Instap — lijf en stem 20'

Wandelen door de ruimte met transformatie-opdrachten: word 30 jaar ouder in tien stappen (rug, knieën, tempo), word piepjong, word reusachtig trots, word muisverlegen. Daarna stem erbij: zeg "Goeiemorgen, wat kost dat?" als grommelaar, als deftige dame, als verlegen kind. Verwijs naar het voorbeeld van Mehmet uit de doelen: een personage zit in houding + beweging + stem + mimiek tegelijk.

Kern 1 — personage bouwen 25'

Iedereen trekt een personagekaartje en kiest één attribuut. Vijf minuten alleen oefenen: hoe stapt, kijkt, spreekt jouw figuur? Dan duo-spiegel: om beurten toont de een zijn personage in drie zinnen, de ander benoemt wat hij zag (houding? stem? mimiek?).

Kern 2 — de markt 40'

Halve klas speelt, halve klas kijkt (en wisselt). De markt loopt: kopen, verkopen, afdingen, roddelen — iedereen blijft in zijn rol. De leerkracht "bevriest" de markt af en toe en tikt twee spelers aan die een mini-scène in de kijker spelen terwijl de rest bevroren staat. Ridderlijkheidsregel expliciet: als jouw medespeler in de kijker staat, ondersteun je — geef opstapjes, pak de aandacht niet af (zoals de lakei van de koning in de doelen).

Slot 15'

Nabespreking: wie zag een klasgenoot écht verdwijnen in zijn rol — waaraan? Wie gaf een mooi opstapje aan een ander? Benoem dat laatste uitdrukkelijk als ridderlijkheid: de stilste vorm van sterk spel.

Voorbeeld

Zeger speelt de verlegen toerist tegenover Ish als luidruchtige visboer. Wanneer Ish even stilvalt in de kijkerscène, fluistert Zeger in zijn rol: "U ging me toch vertellen over die reuzenvis van gisteren?" — de scène leeft weer, en de klas ziet dat Zeger de visboer liet schitteren.

Observatie

  • Zet de leerling minstens drie middelen samen in: houding, beweging, stem, mimiek (DR2)?
  • Blijft de leerling in zijn rol, ook als er niet naar hem gekeken wordt (DR1)?
  • Geeft de leerling opstapjes en laat hij de ander centraal staan wanneer dat hoort (DR4)?

Differentiatie

  • Steun: een personage dicht bij zichzelf kiezen en vooral op één middel (houding) focussen.
  • Uitdaging: speel twee contrasterende personages na elkaar en laat de klas het kantelmoment aanwijzen.
Les 18 · Week 19 · Thema: Bos en Beest

Fabels op de planken

DR5 scenario gebruikenDR7 technieken gebruikenDR2 personage geloofwaardigDR1 bouwstenen herkennen
Duur 2 lesuren (100')Groepering groepjes van 4–5 (5 groepjes)Werkvormen verteltheater, scenario schrijven, repeteren, spelen voor publiek

Doelen

  • DR5 — Gebruiken een eenvoudig scenario: een bestaande fabel bewerken tot een speelbaar scenario met eigen draai.
  • DR7 — Gebruiken vooraf verkende technieken en vormgevingsmiddelen van drama: dramaspel met attributen en aangeklede speelruimte.
  • DR2 — Spelen een personage geloofwaardig: dierpersonages met menselijke trekken.
  • DR1 — Herkennen bouwstenen van drama: structuur — een scenario; begrippen de scène, het conflict, de komedie.

Materiaal (22 leerlingen)

  • 5 fabelkaarten met de verhaallijn in vijf zinnen: De haas en de schildpad, De krekel en de mier, De raaf en de vos, De leeuw en de muis, De wolf en de zeven geitjes (volksverhaal)
  • 5 scenariosjablonen: wie speelt mee — waar — begin — conflict — einde (max. 1 blad)
  • Verkleedkist en attributen; sjaals en doeken om de speelruimte aan te kleden
  • Timer; scèneafbakening met tape

Lesverloop

Instap 15'

Vertel één fabel levendig voor. Vraag: waarom bestaan deze dierenverhalen al duizenden jaren? (Ze gaan eigenlijk over mensen.) Leg het scenario uit als bouwplan van een scène: wie, waar, begin, conflict, einde — zonder conflict geen verhaal.

Kern 1 — scenario schrijven 25'

Elk groepje krijgt een fabelkaart en vult het scenariosjabloon in, mét verplichte eigen draai: verplaats de fabel naar nu (de haas en de schildpad houden een steprace op de speelplaats) of voeg een personage toe (zoals in de doelen: 'De drie biggetjes' met vier biggetjes). Iedereen krijgt een rol; een verteller mag.

Kern 2 — repeteren 30'

Twee doorloopjes. Regieopdrachten aan het bord: (1) elk dier stapt en spreekt herkenbaar anders (koppeling naar les 8), (2) het conflict moet het luidste/duidelijkste moment zijn, (3) kies attributen en kleed je hoekje van de speelruimte aan — dat zijn je vormgevingsmiddelen.

Slot — minifestival 30'

Elk groepje speelt (max. 3 minuten). Publiek kijkt met twee vaste vragen: wat was het conflict, en welke eigen draai zag je? Kort applausritueel na elke groep — theateretiquette oefenen we het hele jaar.

Voorbeeld

De groep van Mies verplaatst "De raaf en de vos" naar een frituur: de raaf heeft het laatste pak friet, de vos vleit hem een liedje uit zijn snavel. De verteller sluit af met de moraal — "en daarom deel je nooit je frieten met een vleier" — waarop de klas in lachen uitbarst: komedie geslaagd.

Observatie

  • Bevat het scenario alle onderdelen en herken je het in het spel (DR5/DR1)?
  • Zet de groep attributen en aankleding functioneel in, niet enkel als versiering (DR7)?
  • Blijven de spelers geloofwaardig in hun dierpersonage (DR2)?

Differentiatie

  • Steun: gebruik de fabelkaart letterlijk als scenario en focus op het spel.
  • Uitdaging: schrijf een alternatief einde waarin de "verliezer" van de fabel wint.
Les 22 · Week 23 · Thema: Bos en Beest

Het bos spreekt (zonder woorden)

DR6 technieken herkennenDR7 technieken gebruikenDR2 personage geloofwaardig
Duur 2 lesuren (100')Groepering klassikaal, trio'sWerkvormen pantomime, drama met materialen, tableau vivant

Doelen

  • DR6 — Herkennen technieken en vormgevingsmiddelen van drama: non-verbale spelvormen (pantomime), drama met materialen.
  • DR7 — Gebruiken vooraf verkende technieken en vormgevingsmiddelen: een non-verbale bosscène met materiaal als medespeler.
  • DR2 — Spelen een personage geloofwaardig: zonder taal, dus volledig met lijf en mimiek.

Materiaal (22 leerlingen)

  • Per trio één "bosmateriaal": groot bruin doek, tak, touw, krant, paraplu, lange strook stof (8 sets)
  • Pantomimekaartjes: door struikgewas kruipen, over een beek springen, een spinnenweb wegvegen, een dier besluipen, verdwalen, een uil ontdekken
  • Rustige bosgeluiden als achtergrond (speaker)
  • Fototoestel/tablet voor de tableaus

Lesverloop

Instap — pantomimebasis 20'

Klassikaal: de onzichtbare muur, het onzichtbare touw, de zware onzichtbare rugzak. Kernprincipes benoemen: pantomime = fixatiepunt (waar "is" het voorwerp), weerstand tonen (zwaar is traag), en gezicht speelt mee. Kort doorgeven-spel: een onzichtbaar bosdiertje gaat de kring rond en verandert bij elke leerling van grootte.

Kern 1 — materiaal wordt bos 30'

Trio's krijgen één materiaal en drie minuten per ronde: maak er (1) iets uit het bos van, (2) een dier van, (3) het weer van. Het doek wordt een berg, een berenvacht, mist die over de grond rolt. Toonmoment per ronde: de klas benoemt wat ze zag — dit is drama met materialen: het voorwerp speelt mee, het beeldt niet zichzelf uit.

Kern 2 — de bosscène 35'

Elk trio bouwt een non-verbale scène van 1–2 minuten: een tocht door het bos met begin (het bos in), spannend midden (pantomimekaartje als inspiratie) en een slotbeeld dat drie tellen bevriest (tableau vivant, wordt gefotografeerd). Het materiaal moet minstens twee gedaantes aannemen.

Slot 15'

Bekijk de tableaufoto's op het scherm: raad per foto het verhaal. Bespreek: wat vertelde het lijf, wat vertelde het materiaal?

Voorbeeld

Het trio van Lotte gebruikt de lange strook stof eerst als kronkelend bospad waarover ze balanceren, dan schiet ze omhoog als aanvallende slang; in het slotbeeld bevriezen de twee wandelaars rug tegen rug, ogen wijd, de slang hoog boven hen.

Observatie

  • Houdt de leerling het fixatiepunt en de weerstand vast in de pantomime (DR6/DR7)?
  • Krijgt het materiaal meerdere geloofwaardige gedaantes (DR7)?
  • Is het personage leesbaar zonder één woord: emotie op gezicht en in houding (DR2)?

Differentiatie

  • Steun: geef een vast driedelig stramien met concrete kaartjes per deel.
  • Uitdaging: voeg een tempo-eis toe — één passage in slow motion, één versneld.
Les 29 · Week 30 · Thema: Water

Storm op zee — improvisatietheater

DR3 improvisatiespelDR4 ridderlijkheidDR5 scenario gebruikenDR7 technieken gebruiken
Duur 2 lesuren (100') · korte week (Hemelvaart): les is compact opgebouwdGroepering klassikaal en groepjes van 5–6 (4 groepjes)Werkvormen improvisatietheater met publiekinput, mini-scenario, dramaspel

Doelen

  • DR3 — Spelen op basis van een opgegeven plaats, personage en gevoel een scène: nu met input van het publiek, zoals in echt improvisatietheater.
  • DR4 — Gebruiken ridderlijkheid in het samenspel: elkaars aanbod aanvaarden en versterken onder tijdsdruk.
  • DR5 — Gebruiken een eenvoudig scenario: een zelfbedacht mini-scenario als vangnet onder de improvisatie.
  • DR7 — Gebruiken technieken en vormgevingsmiddelen: aankleding van de speelruimte als scheepsdek.

Materiaal (22 leerlingen)

  • Banken en stoelen om per groep een "schip" te bouwen; blauwe doeken als zee
  • Publiekskaartjes om in te vullen: een personage, een voorwerp aan boord, een gevoel
  • Geluidseffecten: donder en wind (speaker) — de leerkracht bedient het weer
  • Kapiteinspet en 3–4 andere attributen per groep

Lesverloop

Instap 15'

Warm op met "de hellende boot": de hele klas staat op een denkbeeldig dek dat overhelt — iedereen helt samen mee (kijken naar elkaar!). Leg uit wat improvisatietheater is: spelers krijgen suggesties van het publiek en bouwen daar ter plekke een scène mee — het genre staat in de kunstwereld op zichzelf.

Kern 1 — mini-scenario 20'

Elke groep bouwt zijn schip en schrijft een vangnet-scenario van drie regels: wie zijn wij (bemanning), waar varen we heen, hoe loopt het af (redding, eiland, thuiskomst). Het midden blijft leeg: dat vult het publiek straks.

Kern 2 — de stormvoorstellingen 50'

Groep per groep speelt (±5'). Het publiek geeft vóór de start twee kaartjes: een extra personage dat opduikt en een gevoel dat halverwege de kapitein overvalt. De leerkracht stuurt het weer: bij donder helt het schip, bij windstilte valt alles stil. Spelregels: elk aanbod is een cadeau ("ja, en…"), wie in de knoop zit krijgt van een medespeler een opstapje — ridderlijkheid onder stormdruk. Na elke groep: 1 minuut feedback via twee vragen (mooiste samenspelmoment? hoe loste de groep het kaartje op?).

Slot 15'

Kring: wat is moeilijker, spelen met of zonder scenario? Wanneer hielp het vangnet, wanneer zat het in de weg? Verwijs vooruit: deze speeltechnieken komen terug in de waterperformance (les 34–35).

Voorbeeld

Het publiek geeft de groep van Vic "een zeemeermin" en "jaloers". Wanneer de zeemeermin (Fien) opduikt, valt speler Vic even stil; matroos Jules gooit een opstapje: "Kapitein, is dat niet de zangeres van wie je me vertelde?" — de scène kantelt en de jaloerse kapitein is geboren.

Observatie

  • Verwerkt de groep de publieksinput geloofwaardig in plaats en handeling (DR3)?
  • Aanvaardt de leerling het aanbod van medespelers en versterkt hij het (DR4)?
  • Fungeert het mini-scenario zichtbaar als structuur: herkenbaar begin en einde (DR5)?

Differentiatie

  • Steun: rol met vaste terugkerende zin (de kok die alles becommentarieert) — veilig én grappig.
  • Uitdaging: speel één passage volledig non-verbaal wanneer de storm "de stemmen wegblaast".

← Terug naar het jaaroverzicht