Les 1 · Week 1 · Thema: Op verkenning
De kaart van het onbekende eiland
Doelen
- BE1 — Herkennen bouwstenen van beeld: lijn (lijnstructuren, arcering) en het silhouet.
- BE2 — Gebruiken bouwstenen van beeld in een muzische creatie: een fantasiekaart vormgeven met lijn en arcering.
- GH1 — Tonen een muzische grondhouding: verbeeldingskracht, durven experimenteren.
Materiaal (22 leerlingen)
- 22 vellen tekenpapier A3 (liefst licht getint of "verouderd" met theezakjes vooraf)
- 22 fineliners zwart + 22 potloden HB en 4B (per bank een setje)
- 6 voorbeeldkaarten geprint: oude zeekaarten en fantasiekaarten (bv. schatkaart, kaart uit een jeugdboek)
- Bord of beamer voor de demonstratie van arceertechnieken
- Wasknijpers en een waslijn of magneetbord voor het museumrondje
Lesverloop
Instap 15'
Vertel: "Jullie zijn cartografen. Een kapitein heeft een eiland ontdekt dat nog op geen enkele kaart staat. Hij beschrijft het — jullie tekenen het." Bekijk samen de voorbeeldkaarten: hoe geeft de tekenaar bergen weer? Bossen? Zee? Benoem de begrippen lijn, lijnstructuur, arcering en silhouet: dicht bij elkaar arceren = donker/dicht bos, ver uit elkaar = open vlakte, golvende lijntjes = water.
Kern 1 — techniekverkenning 20'
Iedereen verdeelt een kladblad in 6 vakjes en probeert 6 lijnstructuren: kruisarcering, puntjes, golfjes, spiralen, korte streepjes, cirkeltjes. Demonstreer telkens kort op het bord. Bespreek: welke structuur "voelt" als rots, welke als moeras?
Kern 2 — de kaart 50'
Elke leerling tekent zijn eiland op A3: eerst het silhouet van de kustlijn in potlood, dan minstens vier landschapstypes ingevuld met verschillende lijnstructuren in fineliner. Verplichte elementen: een kompasroos, een naam voor het eiland en één geheim (een grot, een schat, een verborgen dorp). Wie klaar is, voegt een legende toe.
Slot — museumrondje 15'
Kaarten aan de waslijn. Leerlingen wandelen langs en zoeken: "Op welke kaart zie je het dichtste bos? Hoe heeft de tekenaar dat gedaan?" Twee leerlingen lichten hun geheim toe.
Voorbeeld
Nore tekent haar eiland "Vulkania": de vulkaan krijgt dichte kruisarcering aan de schaduwkant, het lavameer korte felle streepjes, en de zee rondom rustige golfjes die verder van de kust steeds lichter worden.
Observatie
- Gebruikt de leerling minstens vier verschillende lijnstructuren bewust (BE2)?
- Kan de leerling bij het museumrondje benoemen welke arcering een klasgenoot gebruikte en welk effect dat geeft (BE1)?
- Durft de leerling af te wijken van de voorbeelden en eigen structuren te verzinnen (GH1)?
Differentiatie
- Sneller klaar: een uitsnede van de kaart "inzoomen" op een tweede blad, met nog fijnere structuren.
- Moeite met starten: geef een voorgetekend kustsilhouet, de leerling vult de landschappen in.
Les 5 · Week 5 · Thema: Op verkenning
Kikker & vogel
Doelen
- BE1 — Herkennen bouwstenen van beeld: ruimtesuggestie in 2D via kikkerperspectief en vogelperspectief.
- BE2 — Gebruiken bouwstenen van beeld: een tekening maken vanuit een gekozen perspectief.
- RE1 — Reflecteren over de eigen muzische creatie: bouwstenen en gemaakte keuzes verwoorden.
Materiaal (22 leerlingen)
- 22 vellen tekenpapier A4 + 22 setjes vetkrijt of kleurpotloden
- 8 geprinte foto's: 4 vanuit kikkerperspectief (bloem als reus, wolkenkrabber van onderaan), 4 vanuit vogelperspectief (stad van boven, mensenmenigte)
- Beamer voor gezamenlijke beeldbeschouwing
- Reflectiekaartjes met de zinnen "Ik koos … omdat …" en "Het moeilijkste was …" (22 stuks)
Lesverloop
Instap 15'
Projecteer een foto vanuit kikkerperspectief zonder uitleg. Vraag: "Waar stond de fotograaf?" Laat leerlingen letterlijk op de grond gaan liggen en naar de klaskast kijken, daarna op een stoel staan en op hun bank neerkijken. Benoem kikkerperspectief, vogelperspectief en het perspectief als bouwsteen ruimte.
Kern 60'
Opdracht: "Teken de school (of de klas, de speelplaats) door de ogen van een mier óf door de ogen van een meeuw." De helft van de klas start als mier (kikkerperspectief), de helft als meeuw (vogelperspectief); halverwege mag wie wil een tweede, kleine schets in het andere perspectief maken. Tips aan het bord: mier = alles torent boven je uit, lijnen lopen naar boven samen; meeuw = daken en kruinen, mensen worden stipjes.
Slot — duo-reflectie 25'
Duo's wisselen tekeningen uit. Met de reflectiekaartjes vertelt elke leerling: welk perspectief, welke keuzes, wat lukte, wat was moeilijk. Klassikaal: twee tekeningen onder de beamer, de klas raadt het standpunt.
Voorbeeld
Seppe tekent de speelplaats als mier: de bank wordt een reusachtige brug, een schoen vult de halve tekening en de basketring is amper zichtbaar in de verte bovenaan.
Observatie
- Herkent de leerling op een foto het gebruikte standpunt en benoemt hij/zij het correct (BE1)?
- Is het gekozen perspectief zichtbaar doorgevoerd in de tekening: formaatverschillen, standpunt (BE2)?
- Verwoordt de leerling in het duo-gesprek minstens één bewuste keuze (RE1)?
Differentiatie
- Steun nodig: start vanaf een foto in het gekozen perspectief en teken die na met eigen accenten.
- Uitdaging: combineer beide perspectieven in een stripje van twee vakjes (de mier kijkt op, de meeuw kijkt neer op dezelfde plek).
Les 12 · Week 13 · Thema: Op verkenning
Landmarks — ruimtedoorstekende sculpturen
Doelen
- BE1 — Herkennen bouwstenen van beeld: ruimte-innemend, ruimte-doorstekend en ruimte-omvattend (3D).
- BE3 — Herkennen vaardigheden/technieken: ruimtelijke constructies; begrip beeldhouwen.
- BE4 — Gebruiken vooraf verkende technieken en vormgevingsmiddelen: een stoksculptuur bouwen als landmark.
Materiaal (22 leerlingen, per duo)
- ±60 satéstokjes of dunne takken per duo (11 × 60, voorzie een emmer extra)
- Bolletje touw of wolresten + 11 scharen; eventueel 11 lijmpistolen als de klas dat gewoon is
- 11 kartonnen grondplaten (±30×30 cm) als sokkel
- Kladpapier voor de ontwerpschets
- Foto's van echte landmarks: Eiffeltoren, Atomium, moderne architectuur van Zaha Hadid
Lesverloop
Instap 15'
Toon de landmark-foto's: "Elke wereldstad heeft een herkenningspunt. Jullie eiland uit les 1 verdient er ook één." Leg de drie soorten ruimtegebruik uit met voorwerpen: een bal neemt ruimte in, een klimrek steekt ruimte door, een doos omvat ruimte. Vandaag bouwen we ruimte-doorstekend: lijnen die door de lucht prikken.
Kern 1 — ontwerp 15'
Duo's schetsen hun landmark: minimaal 25 cm hoog, moet vrijstaand blijven staan, moet vanuit elke kant een andere vorm tonen. Geef de tip: driehoeken maken constructies stevig.
Kern 2 — bouwen 55'
Bouwen met stokjes en touw op de sokkel. Loop rond met twee vaste vragen: "Waar steekt jullie sculptuur de ruimte door?" en "Wat gebeurt er als ik van deze kant kijk?" Wie instort: samen zoeken waar een driehoek ontbreekt.
Slot 15'
Sculpturenparade: alle sokkels op één tafeleiland. De klas wandelt errond (zoals rond echte beelden). Per duo één zin: "Ons landmark heet … en van opzij zie je …".
Voorbeeld
Lars en Amber bouwen "De Poort van Vulkania": twee schuine torens die elkaar bovenaan net niet raken; het touw spannen ze als hangbrug ertussen, zodat de lege ruimte deel van het beeld wordt.
Observatie
- Benoemt de leerling het verschil tussen ruimte-innemend, -doorstekend en -omvattend met een eigen voorbeeld (BE1)?
- Past het duo constructieprincipes toe: verbindingen, driehoeken, stabiliteit (BE3/BE4)?
- Werken beide leerlingen mee aan ontwerp én uitvoering?
Differentiatie
- Uitdaging: bouw een tweede, ruimte-omvattend element (een ruimte waar je "in" kan kijken) aan de voet van het landmark.
- Motorisch lastig: gebruik knijpers of stukjes plasticine als verbindingen in plaats van touw.
Les 16 · Week 17 · Thema: Bos en Beest
Dierenhuiden in klei
Doelen
- BE1 — Herkennen bouwstenen van beeld: textuur, stofuitdrukking in 3D.
- BE3 — Herkennen vaardigheden/technieken: boetseren.
- BE4 — Gebruiken vooraf verkende technieken: een dier boetseren waarbij de huid de hoofdrol speelt (ruimte-innemend beeld in één stuk).
Materiaal (22 leerlingen)
- ±11 kg klei (500 g per leerling); zelfhardende klei als er geen oven is
- 22 onderlegplankjes + 22 setjes boetseergereedschap (of vervangers: satéstokje, oude vork, kam, dop)
- Voelzak met materialen: schuurpapier, bont/pluche, slangenleer-imitatie, sponsje, noppenfolie
- Foto's van dierenhuiden close-up: olifant, krokodil, egel, vis, schaap
- Vochtige doekjes en afdekfolie
Lesverloop
Instap — voelronde 15'
Leerlingen voelen blind in de voelzak en beschrijven: ruw, glad, geribbeld, zacht, schubbig. Koppel daarna aan de close-upfoto's: welke huid hoort bij welk gevoel? Benoem textuur en stofuitdrukking: hoe een oppervlak "vertelt" waarvan iets gemaakt is.
Kern 1 — techniekdemo 10'
Demonstreer boetseerbasis: kneden, vorm uit één stuk trekken (geen losse aangeplakte pootjes die afvallen), en textuurtechnieken: krassen met de vork (vacht), drukken met een dop (schubben), rollen over noppenfolie, plooien insnijden (olifantenhuid, zoals in het voorbeeld van Seppe uit de doelen).
Kern 2 — boetseren 55'
Iedereen boetseert een bosdier uit één stuk klei. De opdracht is niet "mooi dier" maar "voelbaar dier": wie zijn ogen sluit en het beeld aanraakt, moet kunnen raden welk dier het is. Minstens twee texturen combineren (bv. stekels op de rug, gladde buik).
Slot — blindtest 20'
Per tafelgroep: één leerling sluit de ogen, voelt aan het werk van een ander en raadt het dier. Kort nabespreken: welke textuur hielp het meest?
Voorbeeld
Martha boetseert een everzwijn en trekt met de vork honderden korte krassen in de rug voor de borstelige vacht; de snuit maakt ze glad met een natte vinger, zodat het contrast voelbaar is.
Observatie
- Gebruikt de leerling minstens twee duidelijk verschillende texturen bewust (BE4)?
- Kan de leerling uitleggen welk gereedschap welk effect geeft (BE3)?
- Slaagt de blindtest: is het dier herkenbaar aan zijn huid (BE1)?
Differentiatie
- Steun: kies een dier met één sterke textuur (egel, vis) en werk enkel daaraan.
- Uitdaging: verwerk leeftijd of emotie in de huid (plooien = oud, opgezette stekels = bang).
Les 20 · Week 21 · Thema: Bos en Beest
Camouflage & signaal
Doelen
- BE1 — Herkennen bouwstenen van beeld: kleur — betekenis, functie en symboolwaarde; begrippen signaalkleur, camouflagekleur, warme/koude kleur, opvallend/onopvallend.
- BE2 — Gebruiken bouwstenen van beeld: een dier vormgeven dat verdwijnt in zijn omgeving én een dier dat wil opvallen.
Materiaal (22 leerlingen)
- 22 vellen A4 stevig papier, in twee helften te verdelen
- Plakkaatverf (basiskleuren + wit en zwart), 22 penselen, mengpaletten (eierdozen werken prima), waterpotten
- Beamerfoto's: wandelende tak, sneeuwuil, pijlgifkikker, lieveheersbeestje, wesp, zebrapadborden en fluohesje (signaal in mensenwereld)
- Groene/bruine "bosachtergrond": groot behangpapier of prikbord met bladeren, voor het zoekspel
Lesverloop
Instap — kwis 15'
Teamkwis met foto's: "Vind het dier" (camouflage) en "Waarom is dit dier zo fel?" (gif, waarschuwing). Trek de lijn naar mensen: fluohesje, verkeersbord. Benoem camouflagekleur en signaalkleur, en koppel aan warme/koude en opvallende/onopvallende kleuren.
Kern 60'
Elke leerling schildert twee kleine werken: (1) een fantasie-bosdier in camouflagekleuren op een geschilderde bosachtergrond — het dier mag pas bij goed kijken zichtbaar zijn; (2) hetzelfde dier als "signaalversie" die vanop drie meter afstand knalt. Mengoefening ingebouwd: camouflage vraagt gebroken tinten (kleur + beetje complement of bruin), signaal vraagt zuivere, contrasterende kleuren.
Slot — zoekspel 25'
Camouflagedieren worden uitgeknipt en op de grote bosachtergrond gespeld. De klas telt: hoeveel dieren vind je in één minuut? Daarna de signaalversies ernaast: het verschil is meteen het lesbesluit. Sluit af met de vraag: "Wanneer wil jij zelf opvallen, wanneer net niet?"
Voorbeeld
Yusuf schildert een "mosvos": gebroken groenen en bruinen, vlekken die doorlopen in de achtergrond. Zijn signaalversie krijgt magenta met gele zigzagstrepen — "zodat iedereen weet dat hij giftig is".
Observatie
- Mengt de leerling gebroken tinten voor de camouflageversie in plaats van kleuren recht uit de pot (BE2)?
- Benoemt de leerling het functieverschil tussen beide kleurkeuzes correct (BE1)?
- Is het contrast tussen beide versies zichtbaar vanop afstand?
Differentiatie
- Steun: werk enkel de camouflageversie uit, met een beperkt palet van drie mengkleuren.
- Uitdaging: voeg een derde versie toe met complementaire kleuren en vergelijk het effect.
Les 27 · Week 28 · Thema: Water
De zee in tinten en tonen
Doelen
- BE1 — Herkennen bouwstenen van beeld: kleur — toonwaarde en tintwaarde; warme en koude kleuren.
- BE2 — Gebruiken bouwstenen van beeld: sfeer van de zee vormgeven via toon- en tintwaarden.
- BE4 — Gebruiken vooraf verkende technieken: schilderen (nat-in-nat en dekkend).
Materiaal (22 leerlingen)
- 22 vellen A3 schilderpapier + kladpapier voor de mengstrook
- Plakkaatverf: blauw, groen, wit, zwart, klein beetje geel en rood; 22 brede en 22 fijne penselen
- Mengpaletten, waterpotten, keukenrol, kranten als onderlegger
- Beamerfoto's: kalme ochtendzee, stormzee, tropische lagune, avondzee
Lesverloop
Instap 15'
Vier zeefoto's naast elkaar: "Zelfde water, vier gevoelens. Waar zit het verschil?" Stuur naar kleur: licht/donker en fel/grijzig. Benoem toonwaarde (kleur + wit of zwart) en tintwaarde (mengen met andere kleuren), warme en koude kleuren.
Kern 1 — mengstrook 20'
Iedereen maakt een strook van één blauw in tien stappen: vijf tonen (steeds meer wit), vijf tinten (beetje groen, beetje rood, beetje zwart, …). Deze strook wordt het "receptenboekje" voor het schilderij.
Kern 2 — zeeschilderij 50'
Kies één sfeer (kaartjes: "storm", "ochtendrust", "tropisch", "avond") en schilder de zee met minstens zes verschillende tonen/tinten uit de eigen strook. Horizon hoog of laag mag; geen boten of figuren nodig — het water zelf is het onderwerp. Techniektip per sfeer: storm = dekkend en dik, ochtend = nat-in-nat vervagen.
Slot 15'
Sfeerraden: vier werken vooraan, de klas raadt welk sfeerkaartje erbij hoort en benoemt aan welke toon/tint ze dat zien.
Voorbeeld
Lien schildert "avondzee": onderaan diepe blauwtinten met een vleugje zwart, naar de horizon toe mengt ze oranjeroze door het blauw — warm tegen koud — zodat de zon nét onder lijkt.
Observatie
- Bevat de mengstrook duidelijk onderscheiden tonen én tinten (BE1)?
- Zet de leerling de mengsels bewust in voor de gekozen sfeer (BE2)?
- Hanteert de leerling de schildertechniek passend bij de sfeer: nat-in-nat of dekkend (BE4)?
Differentiatie
- Steun: beperk tot tonen (één kleur + wit/zwart) in vlakke banen van donker naar licht.
- Uitdaging: schilder tweeluik — dezelfde zee in twee sferen — en hang ze naast elkaar.
Les 31 · Week 32 · Thema: Water
Waterwezens in druk
Doelen
- BE3 — Herkennen vaardigheden/technieken: drukken (hoogdruk met foamplaat).
- BE4 — Gebruiken vooraf verkende technieken: een drukwerk in oplage maken.
- BE1 — Herkennen bouwstenen van beeld: lijn (in de drukplaat) en textuur (stofuitdrukking van schubben, vinnen, tentakels).
Materiaal (22 leerlingen)
- 22 foamplaatjes (±A5) — softcut of stevig verpakkingsfoam
- 22 balpennen of stompe potloden om in het foam te tekenen
- 4 drukstations: elk met inktrol, blokdrukinkt of dikke plakkaatverf (blauw, groen, paars, zwart), glasplaat of plastic snijmat om uit te rollen
- ±90 vellen dun drukpapier A5/A4 (elke leerling drukt een oplage van 3–4)
- Droogrek of waslijn, schorten, vochtige doekjes
Lesverloop
Instap + demo 15'
Toon een gedrukte prent naast een tekening: wat is anders? Introduceer drukken: één plaat, veel afdrukken — en alles komt in spiegelbeeld. Demonstreer de keten: tekenen in foam → inrollen → papier erop → wrijven → optillen.
Kern 1 — drukplaat 30'
Elke leerling ontwerpt een (fantasie)waterwezen en tekent het met de balpen stevig in het foam. Aandachtspunten: diepe lijnen blijven wit, textuur maakt het wezen: schubpatronen, golvende tentakellijnen, stippen. Letters vermijden of in spiegelbeeld!
Kern 2 — drukken in oplage 40'
Doorschuifsysteem: per station 5–6 leerlingen, elk drukt 3–4 afdrukken, eventueel in verschillende kleuren. Nummer de oplage zoals echte kunstenaars: 1/4, 2/4, … en signeer in potlood onder de prent.
Slot — vloerexpo 15'
Alle drukken op de grond in een groot "aquarium". Bespreek: bij wie zie je de textuur het sterkst? Welke afdruk uit je eigen oplage is de beste, en waarom verschillen ze?
Voorbeeld
Elias ontwerpt een reuzeninktvis: de tentakels vult hij met rijen zuignap-cirkeltjes die in druk als witte stippen verschijnen; hij drukt 1/4 in blauw en 4/4 in zwart en ontdekt dat de textuur in zwart harder spreekt.
Observatie
- Doorloopt de leerling de drukketen zelfstandig en in de juiste volgorde (BE3/BE4)?
- Gebruikt de leerling lijn en textuur bewust als beeldtaal in de plaat (BE1)?
- Vergelijkt de leerling de afdrukken van de eigen oplage kritisch?
Differentiatie
- Steun: geef een silhouetsjabloon van een vis; de leerling werkt vooral de binnentextuur uit.
- Uitdaging: druk in twee lagen — eerst een lichtblauwe "waterplaat", daarna het wezen erover.