Domein · 5 lessen

Dans

Ruimtelagen, energie, leiden en volgen, overdrijven en dansverhalen met een danspartituur. Elke les start met opwarmen en eindigt met een kort toonmoment. Klik een les open voor de volledige fiche.

Les 4 · Week 4 · Thema: Op verkenning

Expeditie in drie lagen

DA1 bouwstenen herkennenDA2 dansen
Duur 2 lesuren (100')Groepering klassikaal, duo's, groepjes van 4Werkvormen geleide bewegingsverkenning, spiegeldans, mini-choreografie

Doelen

  • DA1 — Herkennen bouwstenen van dans: ruimte — ruimtelagen (laag, midden, hoog) en kracht — energie.
  • DA2 — Dansen: in drie ruimtelagen en afwisselend met veel en weinig energie.

Materiaal (22 leerlingen)

  • Vrije dansruimte (turnzaal of klas met banken aan de kant), antislipsokken of blote voeten
  • Speaker met twee contrasterende muziekstukken: rustig zwevend (weinig energie) en ritmisch stuwend (veel energie)
  • 3 grote kaarten: LAAG, MIDDEN, HOOG
  • Trommel of tamboerijn voor signalen
  • Expeditiekaartjes: kruipen door een lage grot, waden door hoog gras, klimmen op een bergkam, sluipen langs een ravijn, springen over rotsblokken

Lesverloop

Instap — opwarmen 15'

Opwarmen en stretchen zoals dansers: nek, schouders, heupen, enkels; daarna joggen door de ruimte met tempo-opdrachten op de trommel. Introduceer de drie ruimtelagen met de kaarten: laag (vloerwerk: kruipen, rollen), midden (gebogen stappen, draaien), hoog (op de tenen, reiken, springen). Op elk trommelsignaal wisselt de klas van laag.

Kern 1 — energie voelen 25'

Speel het rustige stuk: beweeg met zo weinig mogelijk energie, alsof je onder water zweeft (lage spierspanning). Wissel naar het stuwende stuk: dans met volle energie, grote gebaren, sprongen. Bespreek kort: waar in je lijf voel je het verschil? Benoem spierspanning en energie als danswoorden. Herhaal met combinatie: laag + veel energie (stampende krab), hoog + weinig energie (zwevende vogel) — zo ontdekken leerlingen dat laag en energie twee aparte knoppen zijn.

Kern 2 — de expeditie 40'

Groepjes van 4 trekken drie expeditiekaartjes en maken er een korte bewegingsreeks van (±45 seconden) waarin de drie ruimtelagen én minstens één energiewissel voorkomen. Volgorde vrij, maar de overgangen moeten vloeiend zijn: van kruipen (laag) via waden (midden) naar klimmen (hoog). Elk groepje oefent twee keer volledig door.

Slot — toonmoment 20'

Twee groepjes dansen tegelijk, de rest kijkt met een kijkopdracht: benoem per groep waar je laag/midden/hoog zag en waar de energie omsloeg. Afsluiten met een klassikale cooldown in de laagste laag: liggen, ademen, spierspanning laten wegvloeien.

Voorbeeld

De groep van Fien opent plat op de grond als expeditieleden die door een grot schuiven (laag, weinig energie), veert dan recht om door hoog gras te waden met zwaaiende armen (midden) en eindigt met explosieve sprongen van rots naar rots (hoog, veel energie). Het publiek wijst de energiewissel exact aan bij de eerste sprong.

Observatie

  • Benoemt de leerling de drie ruimtelagen correct en herkent hij ze bij anderen (DA1)?
  • Danst de leerling herkenbaar in alle drie de lagen (DA2)?
  • Is het verschil tussen veel en weinig energie zichtbaar in spierspanning en beweging (DA1/DA2)?

Differentiatie

  • Steun: geef een vaste volgorde laag-midden-hoog en één energiewissel op een afgesproken teken.
  • Uitdaging: voeg een vierde element toe — één beweging in slow motion binnen de reeks.
Les 9 · Week 9 · Thema: Op verkenning

De karavaan — leiden en volgen

DA1 bouwstenen herkennenDA3 bewegingen aanpassenDA5 technieken herkennen
Duur 2 lesuren (100')Groepering duo's, rijen van 5–6, klassikaalWerkvormen spiegeldans, kolonnedans, geleide improvisatie

Doelen

  • DA1 — Herkennen bouwstenen van dans: relatie — inspelen op elkaar, leiden en volgen.
  • DA3 — Passen bewegingen aan: op elkaar inspelen, leiden en volgen.
  • DA5 — Herkennen vaardigheden/technieken en vormgevingsmiddelen van dans: gestructureerde dans, vloerpatronen, muziek als vormgevingsmiddel.

Materiaal (22 leerlingen)

  • Vrije dansruimte; tape of krijt om twee vloerpatronen uit te zetten (een slingerend pad en een cirkel)
  • Muziek met duidelijk, rustig metrum (bv. karavaan- of woestijnsfeer) + een sneller tweede nummer
  • Sjaaltje of lint voor elke rij-leider (4 stuks)
  • Belletje als wisselsignaal

Lesverloop

Instap — spiegelduo's 20'

Opwarmen, dan spiegeldans in duo's: A beweegt traag, B spiegelt zo exact mogelijk. Zonder aankondiging wisselen de rollen op het belletje. Nabespreken: hoe merk je wie leidt? (Trage, duidelijke bewegingen maken volgen mogelijk.) Benoem leiden en volgen als relatiebouwsteen van dans.

Kern 1 — de karavaan 35'

Rijen van 5–6 als karavaan: de leider (met sjaaltje) vooraan bepaalt beweging én route over het uitgezette slingerpad; de rij volgt als een schaduw. Op het belletje sluit de leider achteraan aan en leidt de volgende. Regels: bewegingen groot en herhaalbaar, tempo aangepast aan de traagste, de karavaan breekt nooit. Tweede ronde over het cirkelpatroon met het snellere nummer: leerlingen ervaren dat vloerpatroon en muziek de dans mee vormgeven (DA5).

Kern 2 — inspelen op elkaar 25'

Duo's zonder vaste leider: "de oase". Beiden bewegen, niemand is baas, maar ze reageren op elkaar: als A zakt, stijgt B; als B draait, draait A mee of net tegengesteld. Dit is inspelen op elkaar: geen kopie maar een gesprek in beweging. Toon twee sterke duo's aan de klas.

Slot 20'

Grote slotkaravaan: de hele klas in één rij over beide vloerpatronen, drie leiderswissels. Kringgesprek: wat is moeilijker, leiden of volgen? Wanneer voelde de karavaan als één geheel?

Voorbeeld

Zoals Hassan in de doelen afwisselend leidt en volgt in een wals, wisselt Noor in de karavaan van rol: als leider kiest ze een golvende armbeweging die iedereen kan volgen, als volger kijkt ze niet naar de voeten maar naar de schouders van haar voorganger "want dan zie je de beweging eerder aankomen".

Observatie

  • Maakt de leerling als leider volgbare bewegingen: groot, traag genoeg, herhaalbaar (DA3)?
  • Volgt de leerling nauwkeurig zonder te vertragen of de rij te breken (DA3)?
  • Herkent en benoemt de leerling leiden/volgen en inspelen op elkaar bij anderen (DA1/DA5)?

Differentiatie

  • Steun: laat onzekere leiders kiezen uit drie voorgedane bewegingen.
  • Uitdaging: de leider stuurt de karavaan ook door de drie ruimtelagen uit les 4.
Les 17 · Week 18 · Thema: Bos en Beest

Beestenboel — overdrijven

DA1 bouwstenen herkennenDA2 dansenDA3 bewegingen aanpassen
Duur 2 lesuren (100')Groepering klassikaal, duo's, groepjes van 4Werkvormen bewegingsexpressie, raadspel, vergroot-verklein-oefening

Doelen

  • DA1 — Herkennen bouwstenen van dans: vorm — bewegingen overdrijven; kracht — energie.
  • DA3 — Passen bewegingen aan: overdrijven.
  • DA2 — Dansen: met aangepaste duurtijd (dezelfde beweging trager en sneller) en afwisselend met veel en weinig energie.

Materiaal (22 leerlingen)

  • Vrije dansruimte; speaker met gevarieerde muziek (log en zwaar, licht en trippelend)
  • Dierkaartjes in twee sets: groot/zwaar (beer, everzwijn, eland) en klein/licht (eekhoorn, muis, vlinder, specht)
  • Een "vergrootknop"-kaart en "verkleinknop"-kaart als visueel signaal
  • Tablet om twee toonmomenten te filmen

Lesverloop

Instap 15'

Opwarmen, dan geleide verkenning: de klas stapt als zichzelf door de ruimte, daarna "op knop 2" (alles dubbel zo groot: passen, armzwaai, mimiek), daarna "op knop 5" (extreem overdreven). Benoem: overdrijven is een danstechniek — een kleine beweging wordt pas leesbaar voor publiek als je ze vergroot.

Kern 1 — van dier naar dans 30'

Iedereen trekt een dierkaartje en zoekt de drie kernbewegingen van dat dier (hoe stapt het, hoe eet het, hoe schrikt het). Eerst realistisch, dan op "knop 5": de eekhoornsprong wordt een reuzensprong, het beergeschommel een hele-lijf-golf. Duo-raadspel: toon je overdreven versie, je partner raadt het dier én benoemt welke beweging overdreven werd.

Kern 2 — beestenboel-choreo 35'

Groepjes van 4 (twee "zware" en twee "lichte" dieren) bouwen een reeks van vier bewegingszinnen: elk dier krijgt zijn moment, de rest reageert overdreven (schrikken, wegtrippelen, imponeren). Verplicht contrast: zwaar/veel energie tegenover licht/weinig energie, en één zin die eerst traag en daarna dubbel zo snel wordt gedanst (aangepaste duurtijd, zoals Jacquotte in de doelen die dezelfde dans in de helft van de tijd danst).

Slot 20'

Toonmoment per twee groepen, gefilmd. Bekijk één fragment terug: waar was het overdrijven het sterkst? Cooldown: van "knop 5" stap voor stap terug naar "knop 1" tot iedereen stilstaat.

Voorbeeld

Jules trekt de specht: realistisch tikt hij met zijn hoofd, op knop 5 wordt het een hele-lichaam-hamerslag vanuit de knieën waarbij zijn armen als vleugels naklappen. Zijn partner raadt de specht meteen "aan het ritme, niet aan de vorm".

Observatie

  • Vergroot de leerling een herkenbare kernbeweging in plaats van zomaar wild te bewegen (DA3)?
  • Danst de leerling dezelfde zin met aangepaste duurtijd zonder de vorm te verliezen (DA2)?
  • Benoemt de leerling overdrijven en energie als bouwstenen bij het kijken (DA1)?

Differentiatie

  • Steun: kies één kernbeweging in plaats van drie en overdrijf enkel die.
  • Uitdaging: dans het dier ook in een andere ruimtelaag dan zijn natuurlijke (een beer in de hoge laag).
Les 21 · Week 22 · Thema: Bos en Beest

Dansverhaal: avontuur in het bos

DA4 dansverhaalDA5 technieken herkennenDA6 technieken gebruiken
Duur 2 lesuren (100')Groepering groepjes van 4–5 (5 groepjes)Werkvormen choreograferen in groep, danspartituur maken, toonmoment

Doelen

  • DA4 — Voeren een dansverhaal uit: zelfgemaakte frasering (opeenvolging van bewegingszinnen) rond een thema, met danspartituur.
  • DA5 — Herkennen vaardigheden/technieken en vormgevingsmiddelen: danspartituur, vloerpatronen, muziek, bewegingsexpressie.
  • DA6 — Gebruiken vaardigheden/technieken en vormgevingsmiddelen van dans in een muzische creatie.

Materiaal (22 leerlingen)

  • Vrije dansruimte; instrumentale sfeermuziek "bos" (rustig met opbouw)
  • 5 vellen A3 + stiften voor de danspartituren (symbolen voor bewegingen, pijlen voor vloerpatronen)
  • Voorbeeldpartituur van de leerkracht: drie symbolen, een vloerpatroonpijl en een legende
  • Verhaalkader op het bord: het bos in — ontmoeting — gevaar — ontsnapping of vriendschap — het bos uit

Lesverloop

Instap 15'

Opwarmen. Toon de voorbeeldpartituur en dans ze klassikaal: zo leest een danspartituur — symbolen voor bewegingszinnen, pijlen voor het vloerpatroon. Verwijs naar Yelmer uit de doelen: zijn klas noteerde hun bosdansverhaal in een partituur om het weken later op het schoolfeest exact te kunnen herdansen. Dat is precies wat wij vandaag maken.

Kern 1 — bewegingszinnen bouwen 30'

Elke groep kiest binnen het verhaalkader zijn eigen invulling: wie of wat ben je in het bos (bomen, wind, dieren, wandelaars)? Per verhaaldeel maakt de groep één bewegingszin (start — beweging — eindpose). Technieken uit vorige lessen bewust inzetten: ruimtelagen (les 4), leiden en volgen (les 9), overdrijven (les 17). Minstens vier zinnen na elkaar vormen de frasering.

Kern 2 — partituur en repetitie 30'

De groep noteert de frasering op de danspartituur: eigen symbolen + legende + vloerpatroonpijlen. Test: leg de partituur weg, dans; leg ze terug, klopt het? Twee volledige doorloopjes op muziek. De leerkracht checkt per groep of de partituur leesbaar is voor een buitenstaander.

Slot — toonmoment 25'

Elke groep voert haar dansverhaal uit terwijl de partituur zichtbaar ophangt; het publiek volgt mee en wijst achteraf één symbool aan dat het in de dans herkende. De partituren worden bewaard: dit dansverhaal kan terugkeren op het toonmoment in juni.

Voorbeeld

De groep van Yelmer beeldt bomen, dieren en wind uit zonder woorden: de "wind" leidt met golvende armen (leiden/volgen), de "bomen" reageren in de hoge laag, het "gevaar" is één overdreven sprong van de vos. Op hun partituur staat de vos als een rode zigzag; bij de doorloop zonder partituur vergeten ze hem, mét partituur zit hij er weer in — het nut van noteren is bewezen.

Observatie

  • Bevat het dansverhaal een herkenbare frasering van minstens vier bewegingszinnen (DA4)?
  • Is de danspartituur leesbaar en klopt ze met wat gedanst wordt (DA4/DA5)?
  • Zet de groep technieken uit vorige lessen bewust in en kan ze die benoemen (DA5/DA6)?

Differentiatie

  • Steun: werk met drie in plaats van vijf verhaaldelen en gebruik de symbolen van de voorbeeldpartituur.
  • Uitdaging: dans het verhaal een tweede keer in de helft van de tijd (aangepaste duurtijd) en noteer het tempoverschil in de partituur.
Les 28 · Week 29 · Thema: Water

Golven — slow motion en spierspanning

DA1 bouwstenen herkennenDA2 dansenDA3 bewegingen aanpassen
Duur 2 lesuren (100')Groepering klassikaal, rijen, duo'sWerkvormen geleide bewegingsverkenning, golfestafette, contrastdans

Doelen

  • DA1 — Herkennen bouwstenen van dans: kracht — energie; begrippen slow motion, spierspanning, cadans, synchroon.
  • DA2 — Dansen: met aangepaste duurtijd, in drie ruimtelagen, afwisselend met veel en weinig energie.
  • DA3 — Passen bewegingen aan: op elkaar inspelen (de golf doorgeven), overdrijven (de storm).

Materiaal (22 leerlingen)

  • Vrije dansruimte; twee muziekstukken: traag en dragend (kalme zee) en krachtig aanzwellend (storm)
  • Blauwe sjaals of lichte doeken (22, optioneel maar sterk effect)
  • Geluidsfragment van echte golven voor de instap

Lesverloop

Instap 15'

Opwarmen met golf-ademhaling: inademen = armen stijgen, uitademen = hele lijf zakt. Luister naar het golvengeluid: hoe beweegt water eigenlijk? Het rolt door — niets stopt abrupt. Introduceer slow motion: extreem vertraagde beweging met hoge spierspanning. Oefen klassikaal: in tien tellen van staan naar liggen zakken zonder één schok.

Kern 1 — de golfestafette 30'

Rijen van 7–8, schouder aan schouder. Een golfbeweging (armen op en over, lijf golft mee) start bij de eerste en rolt door de rij: elke danser start nét na zijn buur — inspelen op elkaar met perfecte timing. Eerst traag, dan met cadans op de muziek, dan twee rijen tegenover elkaar als botsende golven. Uitbreiding: de golf reist ook door de ruimtelagen — laag beginnen, hoog breken.

Kern 2 — kalme zee en storm 35'

Duo's dansen het contrast: deel 1 kalme zee in slow motion (weinig energie, hoge controle, doeken zweven traag), deel 2 storm (veel energie, overdreven uithalen, sprongen), deel 3 de zee komt tot rust — terug naar slow motion, samen synchroon eindigen in de lage laag. De moeilijkste wissel is van storm terug naar traag: dat vraagt bewuste spierspanning.

Slot 20'

Halve klas danst de volledige zee (estafettegolven + duostorm), halve klas kijkt met de vraag: waar zag je slow motion volgehouden, waar brak ze? Wissel. Cooldown liggend op het golvengeluid.

Voorbeeld

Bij de storm-naar-kalmte-wissel vallen Lina en Kasper eerst uit hun slow motion — te weinig spierspanning na het springen. Ze vinden zelf de oplossing: drie tellen bevriezen als "de laatste golf" en dan pas traag verder. De klas neemt hun vondst over als vaste overgang.

Observatie

  • Houdt de leerling slow motion vol met zichtbare spierspanning, zonder schokken (DA1/DA2)?
  • Speelt de leerling in op de timing van de buur zodat de golf vloeiend doorrolt (DA3)?
  • Is het energiecontrast tussen kalme zee en storm duidelijk zichtbaar (DA2)?

Differentiatie

  • Steun: verkort de slow motion-passages en werk met een teltempo van de leerkracht.
  • Uitdaging: dans de stormpassage synchroon in duo — zelfde bewegingen, zelfde timing, zonder afspreken wie leidt.

← Terug naar het jaaroverzicht